Omdat chronische ziekten, psychologische problemen en gezondheidsongelijkheid op het Brusselse grondgebied flink zijn toegenomen, blijken de middelen die ter beschikking staan van de welzijns- en gezondheidsprofessionals ontoereikend voor de situatie. Om te zorgen voor een efficiënte aanpak van deze problemen, die fysieke, psychologische en sociaaleconomische aspecten omvatten, stelt de territoriale en geïntegreerde organisatie voor om het aanbod van zorg, hulp en begeleiding te herstructureren via samenwerkingen die zijn aangepast aan de specifieke behoeften van de betrokken bevolkingsgroepen.
Hoewel vernieuwend, is deze aanpak niet zozeer bedoeld om een revolutie teweeg te brengen in de sector, maar eerder om deze in overleg met alle actoren nieuw leven in te blazen en inspiratie te putten uit praktijken die al zijn getest op het terrein.
Net als de andere gewesten ondervindt Brussel twee grote problemen bij de organisatie van de zorg en hulpverlening. Enerzijds zijn de diensten verzadigd, en zijn de aanvragen voor en behoeften aan opvang, opvolging en ondersteuning groter dan de beschikbare menselijke en financiële middelen.
Anderzijds laat de versnippering van het systeem dat de diensten opdeelt in sector, doelpubliek, pathologie of specialisatie van de tussenkomende partij, niet toe efficiënt een antwoord te bieden op complexe situaties. In die context is het aan de hulpvrager of de professional – of aan beiden – om zich aan te passen. Maar dat blijkt voor beiden bijzonder oncomfortabel. De begunstigden moeten zich aanpassen aan de beschikbare dienstverlening, zelfs als hun situatie niet exact overeenkomt met de toegangscriteria of meerdere problemen omvat die normaal gezien door verschillende diensten worden gedekt. Van de hulpverleners wordt verwacht dat ze zich in allerlei bochten wringen en buiten hun werkkader gaan om te voldoen aan de vele behoeften van de personen die hen raadplegen.
Zo’n situatie is voor niemand goed. Een herschikking van het aanbod van zorg, hulp en begeleiding dringt zich op om de toegang te vergemakkelijken en de samenwerking tussen professionals te bevorderen, vooral bij de aanpak van complexe situaties. Om dit te doen is er geen magisch, universeel en onfeilbaar recept, maar er moeten wel een paar basisregels worden gerespecteerd.
Een gemeenschappelijke visie opbouwen en ondersteunen
In de eerste plaats moet een gemeenschappelijke visie worden ontwikkeld. Door operationele oplossingen te zoeken voor problemen die verband houden met de versnippering van het systeem, experimenteren de professionals met complementariteit en onderlinge afhankelijkheid. Omdat ze diensten verlenen en ontvangen, worden ze zich ervan bewust dat ze bijdragen aan een collectieve actie en dat ze deel uitmaken van een groter geheel. Daarbij bouwen ze een gemeenschappelijke visie op over wat een geïntegreerde welzijns- en gezondheidsorganisatie inhoudt en het belang ervan.
Een geïsoleerde actor of innovatie kan echter niet voor systemische verandering zorgen. De onderlinge aanpassingen die gebeuren rond begeleiding, een grondgebied of een testproject voor een doelgroep zijn op zich niet voldoende. Om de professionals te helpen het evenwicht te behouden (voldoen aan de behoeften van de bevolking, voorkomen van burn-outs, werken in overeenstemming met hun waarden …), moeten er aanpassingen gebeuren in de organisatie van het collectieve werk op het niveau van de welzijns- en gezondheidszorg zelf. In dat opzicht is het belangrijk om een consensus te bereiken over de essentiële aanpassingen van het genoemde systeem.
Ten tweede is het fundamenteel dat de precariteit van projecten en daarmee van de betrokkenen beperkt wordt door doeltreffende oplossingen structureel toe te passen. Hoewel de overheidsfinanciering per project soms relevant kan zijn, vooral voor innovaties, kan die ook – als gevolg van juxtapositie of redundantie – leiden tot inconsistentie tussen de initiatieven. Dat gebeurt wanneer ze met de steun van verschillende autoriteiten vergelijkbare acties ontwikkelen die vervolgens moeilijk met elkaar te verbinden zijn.
Tot slot moet alles in het werk worden gesteld om een grotere flexibiliteit in de organisatie van het aanbod te bevorderen. In het huidige model, dat grotendeels gesegmenteerd en sectoraal is, moeten meer transversale en gemeenschappelijke mechanismen worden opgenomen. Om dat te bereiken, moet kennis worden uitgewisseld en een gedeeld kader, gedeelde instrumenten gemeenschappelijke bestuursruimtes en aangepaste financiering worden opgezet om te kunnen samenwerken wanneer dat nodig is.
Het werkveld als inspiratiebron
Zorg of concrete hulp bieden aan iedereen die erom vraagt: dat is de kern en de drijvende kracht achter het engagement van professionals in de welzijns- en gezondheidssector In het veld zoeken ze constant naar oplossingen, of het nu gaat om het beantwoorden van steeds complexere, unieke verzoeken of het aanpakken van buitengewone situaties (epidemie, opvangcrisis …). Ze zoeken hun weg, navigeren over overlappende institutionele en sectorale grenzen, onderhandelen over eenmalige partnerschappen, en testen nieuwe manieren om dingen te doen, vooral via proefprojecten. Ze zetten regelmatig samenwerkingsverbanden en netwerken op (formeel, functioneel of specifiek), waardoor integratie steeds meer deel wordt van de praktijk.
Het is daarom essentieel om deze innovaties zichtbaar te maken, ze met elkaar te vergelijken en bruggen te slaan tussen soortgelijke acties. Dat zal ervoor zorgen dat we niet van nul moeten (her)beginnen telkens wanneer we teams, instrumenten en systemen creëren. Het zal ons ook en vooral helpen om te leren uit de ervaringen met deze spontane projecten, en rekening te houden met hun sterke en zwakke punten.
De overheid gaat voor een strategie met grondgebieden
De evolutie en transformatie van het systeem vereist politieke beslissingen, en het verheugt ons om te zien dat die geleidelijk worden uitgevoerd.
Dankzij co-creatie en experimenten met verschillende soorten integratie – d.w.z. gemeenschappelijke kaders voor multisectorale, multiorganisatorische en multidisciplinaire samenwerking, zijn de actoren op het terrein gaan beseffen hoe belangrijk het is om die op verschillende schaalniveaus te implementeren: lokaal, gewestelijk en tussenliggend. Toevallig – of eerder door analyses op elkaar af te stemmen, is datzelfde begrip ‘schaal’ opgenomen in het Geïntegreerd Welzijns- en Gezondheidsplan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Om de diensten te herorganiseren op basis van de behoeften van de begunstigden, werd het Brusselse grondgebied hertekend aan de hand van drie niveaus: de wijken (d.w.z. zones van 15.000 tot 30.000 inwoners in een gemeente), de zorgzones (grondgebied van ongeveer 300.000 inwoners) en het gewest. Deze territoriale organisatie bakent perimeters voor overheidsmaatregelen af, en bevordert een welzijns- en gezondheidsnetwerk dat gaat van een zeer lokale schaal tot grotere gebieden; als de zoektocht naar hulp geen antwoord vindt op wijkniveau, wordt deze uitgebreid naar het niveau van de zorgzone, of zelfs naar dat van het gewest.
Die drie territoriale niveaus vormen de architectuur van de ruimtes voor overleg en samenwerking en bieden een voedingsbodem voor de onderlinge kennis van de actoren. Dit bevordert het ontstaan van partnerschappen en helpt om sneller te reageren op de veranderende behoeften van de bevolking. Na verloop van tijd zullen elke wijk en elke zorgzone hun eigen expertise ontwikkelen over de specifieke eigenschappen van haar bevolking en opdrachten. Deze complementaire expertises zullen een schat aan kennis vormen voor de professionals. Dat zal helpen de toegang en continuïteit van de ondersteuning voor welzijn en gezondheid op gewestelijke schaal te verbeteren. Het is belangrijk om te verduidelijken dat de grondgebieden in geen geval het interventiegebied van de professionals bepalen. Het is evenmin de bedoeling om de vrije keuze van de begunstigden te ondermijnen. In deze benadering van volksgezondheid staat de bevolking centraal. Anders gezegd, de territoriale organisatie wil zones van ‘bevolkingsverantwoordelijkheid’ definiëren waarin de dynamiek gericht is op de behoeften van de mensen. Het doel: meer inzicht krijgen in deze behoeften om op elke schaal ruimtes voor samenwerking te bevorderen en beter op die behoeften te kunnen inspelen.
Een noodzakelijk project … maar niet toereikend
De implementatie van een geïntegreerde territoriale organisatie in het Brussels gewest zal daarom gebaseerd zijn op twee pijlers.
Allereerst worden in elke zone mechanismen ontwikkeld die helpen om de behoeften van de bevolking beter te leren kennen, zodat de structuur van het aanbod en de manieren van werken in functie daarvan kunnen worden aangepast. Tegelijkertijd zullen de behoeften die de sector heeft vastgesteld worden doorgegeven aan de relevante bestuursruimtes. In dezelfde geest moeten de actoren de diagnoses in handen krijgen en gemakkelijk gebruik kunnen maken van de demografische en territoriale databases.
Ten tweede moeten de middelen die de netwerkactiviteiten bevorderen bekend raken en vermeerderen. We moeten structuraliseren en financieren wat op dit moment vaak onder de extra inspanningen van professionals valt, maar noodzakelijk is om de actiekaders te vergroten.
Het werkterrein is uitgebreid, maar het project trekt al veel actoren aan die zich inzetten om de eerste stenen te leggen. Het team van Brusano ondersteunt deze innovatieve professionals en gelooft in het succes van het huidige proces. Brussel beschikt immers over grote troeven om de samenwerkingsverbanden op te zetten die nodig zijn voor de ontwikkeling van deze territoriale benadering: een levendig verenigingsleven, met een rijke geschiedenis en grote diversiteit; een groot aantal diensten, dienstverleners en professionals met specifieke en uiteenlopende vaardigheden op het gebied van welzijn en gezondheid, in verschillende talen; en geëngageerde actoren die een visie delen over zorg en sociale dienstverlening waarbij de mens centraal staat. Bovendien zijn de politieke beleidslijnen op een unieke manier afgestemd op de verschillende institutionele niveaus – federaal, gewestelijk, gemeenschaps- en gemeenteniveau. Dat legt de basis van een organisatie met een meer geïntegreerd aanbod dat welzijns- en gezondheidsdiensten combineert. Nieuwe teksten hebben onlangs de gekozen koers bevestigd, waarbij bruggen worden gebouwd tussen bepaalde lagen van de beroemde Brusselse institutionele ‘lasagne’.
We zeggen het nogmaals: het werkterrein is groot, maar boeiend. Ook al is niet alles perfect, toch kunnen deze hervormingen als een goed begin worden beschouwd, als een erkenning van het werk dat werd uitgevoerd in het veld en een mogelijkheid om de middelen, ook al zijn ze niet toereikend, op een zodanige manier toe te wijzen dat er een groter collectief gevoel van zorg ontstaat.
Het is onmogelijk om af te sluiten zonder aan te geven dat integratie en territoriale organisatie noodzakelijk en zelfs essentieel, maar nog steeds ontoereikend zijn om een efficiënt antwoord te bieden op de behoeften van de bevolking. En dat zal zo blijven zolang de diensten over onvoldoende personeel en middelen beschikken. De herfinanciering van de gezondheidszorg en sociale dienstverlening, en de herwaardering van de ambulante zorg zijn meer dan ooit een dubbele prioriteit waarvan we het belang niet genoeg kunnen benadrukken.
Valentine Musette, Directrice van Brusano